Als onderwijsverstrekker tekenen we voor de best mogelijke opvoeding van de jonge individuen die ons worden toevertrouwd. Deze jonge mensen hebben door hun leeftijd en de tijd waarin ze leven een groot aantal gemeenschappelijke trekken waar verstandige opvoeders een beroep op kunnen doen, maar ze zijn evengoed fundamenteel verschillend van elkaar. Deze diversiteit is een gegeven waaraan geen enkele effi ciënte pedagogie kan of mag voorbijgaan, indien we niet willen terugkeren naar de uniforme disciplinering van de jeugd uit vroegere, minder gelukkige periodes. Hoe kan het GO! nu, vanuit zijn pedagogisch project, met deze diversiteit en de onderliggende gevoeligheden omgaan? De voorloper van het GO!, het rijksonderwijs, was als het ware historisch 'gedwongen' een neutrale koers te varen. De neutraliteit van weleer was een reactie op de onzalige strijd tussen de levensbeschouwingen en om de geest (respectievelijk 'de ziel') van het kind. Dat het toenmalige rijksonderwijs als openbare instelling 'neutraal' hoorde te zijn en open moest staan voor alle democratische levensbeschouwingen, werd dan ook als vanzelfsprekend aanvaard. Zo opgevat is neutraliteit een eerste noodzakelijke maar niet afdoende voorwaarde om de pluralistische opgave van het GO! in te vullen. Op termijn lijkt men deze eerste, vredestichtende functie van de neutraliteit te hebben uitgebreid tot een eigenschap of deugd die van de leerkrachten en opvoeders verwacht werd. Er is echter een wereld van verschil tussen een leraar die 'neutraal' (in de betekenis van onbevooroordeeld en objectief) over een thema praat en een 'neutrale leraar', iemand die blijkbaar niet voor zichzelf denkt, zowat het ergste wat de leerlingen op die leeftijd kan overkomen.
